Zo trainde ik in de duinen samen met mijn vader mijn controle: hij zette een honkbalknuppel rechtop in het mulle zand. Bovenop die knuppel legde hij een honkbal. Alleen de bal raken was 3 punten, de bal raken en de knuppel viel om: 2 punten. Alleen de knuppel raken 1 punt. Alles missen: -/- 1 punt.
Visualiseren en imagery:
mentale voorspelling gebruiken om prestaties te verbeteren.
Ik wist uit mijn eigen (sport)ervaring al dat visualiseren kan helpen om beter te presteren. Ik was rond mijn 17e een aardig getalenteerde werper. Werpen bij honkbal draait vooral om controle; dat je de bal precies daar gooit waar je wil. Controle is voor alle jonge pitchers (werpers) een lastig te beheersen vaardigheid. Je moet namelijk niet alleen heel precies kunnen gooien, maar ook heel erg hard (anders kan elke slagman jouw gegooide bal makkelijk raken). Je krijgt controle door heel veel te gooien; daardoor worden je spieren sterker en je fijne motoriek beter.
Ik kon vrij hard gooien, maar controle was zo rond mijn 16e nog een probleem. Ik werd er beter in, maar het was een frustrerend proces. Soms kon ik 40 keer achter elkaar de bal precies daar krijgen waar ik wilde en zonder enig aanleiding was die controle helemaal weg, en wat ik ook deed, ‘het’ kwam niet terug. Mijn trainer stelde me gerust door te vertellen dat alle jonge werpers met dit probleem worstelen. Keer op keer zei hij: “Je hoeft alleen maar naar de handschoen van de catcher te kijken (het doel), nergens meer aan denken en gewoon gooien. Niet mikken.”
Ik deed erg m’n best om die raad op te volgen, maar het lukte niet erg. Ik keek wel naar de handschoen en gooide, maar nergens aan denken, niet bang te zijn dat je de bal over de achtervanger heen zou gooien of tegen de slagman aan, dat bleek haast onmogelijk. Totdat ergens rond m’n 17e er tijdens de wedstrijd een muntje viel. Ik was weer aan het worstelen met m’n controle, volgde alle adviezen op, maar het werd er niet beter van. In mijn frustratie bleef ik een keer langer staan met de bal in mijn hand. Ik probeerde nog preciezer naar die handschoen van de catcher te kijken; ik stond daar ettelijke secondenlang te turen naar die handschoen en te willen dat ik die bal er nu eindelijk weer eens in zou gooien. Ik ‘wilde’ het zo hard, dat ik plots voor mijn geestesoog de bal de laatste twee meter van het traject zag vliegen en in de handschoen zag en hoorde ploffen. Er klikte tegelijk iets in m’n hoofd en ik begon meteen met de voorbeweging; paf! Bal erin. Natuurlijk deed ik dat bij de volgende worp nog een keer. En nog een keer. Totdat het na ongeveer 10 goed gegooide ballen weer een keer misging. Maar ik wist dat ik de sleutel had gevonden.
Sinds die wedstrijd begon ik met visualiseren, hoewel ik het toen nog ‘dromen’ noemde. Naarmate ik beter in dat dromen werd, groeide mijn controle en naar een paar weken was het geen issue meer. Ook toen al wilde ik weten hoe dat soort dingen werkte en ik ging op zoek naar (uiteraard Amerikaanse) boeken over dit fenomeen. Ik kon alleen maar een boek vinden dat ‘The science of hitting’ heette. Het ging uiteraard niet over gooien maar toch vond ik daar niet alleen de bevestiging van mijn ‘trucje’ maar ook een preciezere beschrijving van die activiteit dat in dat boek ‘mental representation’ werd genoemd. Ik haalde allerlei tips uit dat boek en op het laatst kon ik in mijn hoofd hele films draaien van mezelf terwijl ik een wedstrijd gooide en de bal precies deed wat ik wilde. Die mentale representatie paste ik vervolgens toe op alle aspecten van het honkballen (een hard geslagen bal fielden, een bal wegslaan met de knuppel en ballen vangen) en later, toen ik honkbalcoach werd, hielp ik spelers ermee en veel van hen verbeterden ook hun prestaties.
Ik coachte al meer dan 15 jaar in mijn sport voordat ik in het bedrijfsleven ging coachen. Daar duurde het ook nog jaren voordat ik bedacht dat dit ‘mentaal representeren’ ook wel eens zou kunnen werken voor een client die moeite had met het geven presentaties. Ik vertelde haar van mijn sportervaringen en dat ik deze methode eens wilde proberen met haar. We begonnen met flink wat scepsis aan dit experiment. Zij vond het ‘een zweverige benadering’ en ik was vooral benieuwd of het zou werken. Dat deed het, natuurlijk. We bedachten samen een scenario voor de film waarin zij de heldere voordracht hield op een enthousiaste manier. Het maken van de ‘film’ kostte wat meer tijd dan een film voor een slagman bij honkbal, of een schaatser die keihard door de binnenbocht schaatste, maar het werkte. Goed en snel.
Ik ben de techniek uiteraard blijven gebruiken en door inzichten uit onder andere haptonomie (de leer van het voelen) en NLP konden we de visualisaties steeds beter afstemmen op de persoon. Uiteraard bleef ik erover lezen. Pas tegen 2010 kreeg ik een boek in handen dat voor mij goed uitlegde waarom visualisaties zo goed werkte: ‘Motor cognition; What actions tell the self’, van Marc Jeannerod. Hij legde uit dat het brein niet een soort ‘ontvanger’ is die de wereld passief waarneemt. Volgens zijn theorie is het brein voortdurende bezig met vragen als:
- Wat gebeurt er zo meteen?
- Wat gebeurt er als ik dit doe?
- Welke beweging is daarvoor nodig?
- Hoe zal dat voelen?
- Zal dit lukken?
Die vragen stellen voordat je een handeling uitvoert, sluit redelijk naadloos aan bij wat je doet als je een visualisatie maakt. Jeannerod is ook degene die bewees dat tijdens een visualisatie de spieren die voor die actie nodig zijn al bewegen, zij het op miniscule wijze. Dat proces noemde hij: motor cognition. Hij muntte ook de term ‘imagery’ omdat het niet alleen het visuele deel van het brein is dat bij zo’n voorspelling betrokken is. Een van de stellingen van Jeannerod sprak me enorm aan:
Elke intentionele handeling begint als een interne representatie van een doel en de verwachte gevolgen van de acties die nodig zijn om dat doel te bereiken.
Mijn oude honkbaltrainer had gelijk gehad: je hoeft alleen maar naar de handschoen van de catcher te kijken en de rest gaat vanzelf. Latere onderzoekers, waaronder Lawrence Barsalou werkte het concept van Jeannerod verder uit. Hij toonde (met behulp van oa MRI’s) aan dat ‘motor cognition’ ook werkte bij sociale interacties. Als een verkoper denkt aan een boze klant, dan simuleert het brein al zaken als:
- De gezichtsuitdrukking van de klant
- Diens stemgeluid
- Zijn eigen spanning
- Zijn eigen reactie
- Het vervolg van het gesprek
Je kunt natuurlijk niet de gezichtsuitdrukking of het stemgeluid van een ander beïnvloeden, maar als ik een vriendelijk gezicht en een redelijke toon anticipeer, ga ik die signalen eerder vinden bij mijn gesprekspartner. Als ik me voorstel dat ik ontspannen, met een glimlach precies de juiste dingen zeg, is de kans aanzienlijk groter dat ik dat (net als het gooien van die bal) precies zo uitvoer.
Je begrijpt dat ik de methodiek van imagery vaker ben gaan toepassen in mijn werk. Ik noemde al de schaatser die angst heeft voor de binnenbocht; in de sport heb ik nog tal van andere voorbeelden: een basketballer die zich beter onder de bucket gaat bewegen, een zwemster die ontspannen naar het startblok gaat en scherper start, een kunstrijder die stevig landt na een sprong en honk- en softballers die beter gingen slaan, gooien of fielden. Maar zoals gezegd ben ik het ook gaan toepassen op sociale interacties: het houden van een presentatie, een vergadering voorzitten, confronterende gesprekken voeren en daadkrachtiger leiding geven, zijn een paar voorbeelden.
Inmiddels heeft zowel de vakliteratuur in de sport en in de neurologie een paar mooie inzichtelijke boeken opgeleverd op dit gebied. In de sport heb ik veel gehad aan Heads-Up Baseball van Ken Ravizza en Tom Hanson en Crunchtime van Peterson. In pursuit of excellence van Orlick is leuk en waardevol om te lezen voor sportliefhebbers en prestatieverbeteraars. Boeken over de neurologie van gedragsverandering die ik nuttig vind en vond: The power of habit van Duhigg, The experience machine van Clark, The brain van Eagleman.